Wandelroute 36. Feansterfeart

Afstand: 3 km
Duur: 0.5 uur
Ondergrond: De hele route loopt over verharde paden en wegen km
Honden: op openbaar terrein zijn honden toegestaan
Geopend: januari t/m december

Bijzondere historische informatie
U wandelt langs de Feansterfeart. Deze vaart is in 1648 en '49 gegraven om de turf af te voeren die in deze streek eerst door kloosterlingen en later door particulieren werd gestoken. De route voert u langs Harkema naar Surhuisterveen. De streek rond deze dorpen behoorde tot ver in de 20ste eeuw tot de armste van Nederland.

Harkema Opeynde was oorspronkelijk een boerendorp. De Pein, zoals het in de volksmond werd genoemd, komt al geschriften uit de 15de eeuw voor. Ten zuiden van dit dorp onstond in de 19de het huidige Harkema. Arme arbeiders vestigden zich op de schrale heidegrond die na de veenafgraving was ontstaan en waarmee de boeren niets konden. Arbeiders mochten zich hier overigens niet vrij vestigen. Ze kochten of huurden een stukje grond, waarop ze een eenvoudig huisje bouwden. Ze voorzagen in hun levensonderhoud door seizoensarbeid en huisvlijt, als het maken van bezems en matten. Daarnaast hielden ze soms enkele schapen en verbouwden ze wat aardappelen. Wie geen grond kon kopen, bouwde een spitkeet. Dit moest in één nacht gebeuren. Wanneer de schoorsteen 's ochtends nog niet brandde, mocht de eigenaar van de grond de plaggenhut weer afbreken.

Het dorp Surhuisterveen is omstreeks het jaar 1600 ontstaan als nederzetting van turfgravers en turfschippers op het uitgestrekte dorpsgebied van Surhuizum. De naam van het dorp verwijst naar de veenkoloniale tijd en wordt ook wel 'It Fean' genoemd. De bebouwing van het dorp ontstond langs de Feansterfeart.

Landschapskarakteristiek
Tijdens deze route wandelt u door een landschap waar bebouwing en de kijk op de kleinschalige, sfeerrijke Friese Wouden elkaar afwisselen. Het landschap is door de vervening gevormd en bestaat tegenwoordig uit weide met sloten en bouwland met greppels.

Begin- en eindpunt
U begint uw wandeling in Roodeschuur, bij route knooppuntbord 56. Vervolgens wandelt u in zuidelijke richting langs de Feansterfeart. U komt onder andere langs de Wopkespoel en It Langpaed. Voorbij het poeltje loopt u langs Harkema om bij Surhuisterveen te eindigen bij het route knooppuntbord. Als u It Langpaed in gaat, wandelt u langs route 3 richting Surhuizum.

Roodeschuur
Reaskuorre is direct na de aanleg van de Feansterfeart in 1649 ontstaan. In de vaart werd een sluisje aangelegd voor de waterbeheersing. De turfschippers moesten hier voordat ze het Knillesdjip konden bereiken, geschut worden. Al vrij snel kwam er een herberg, die tevens dienstdeed als sluiswachtershuis en als winkeltje. Toen in 1847 de verveningscompagnie werd opgeheven, werden de sluis en de herberg in het waterschap van Surhuisterveen opgenomen. In 1881 werden een nieuwe sluis en sluiswachterhuis gebouwd. Het laatste deed ook dienst als café. Precies twintig jaar later werd de sluis gerenoveerd. Hierbij werd, ter herinnering, een steen in de sluismuur gemetseld met het opschrift:

Pieter en Duifke Hoekstra woonden op een 'skutsje' op Reaskuorre. Met het schip haalde hij turf uit de Groningse veenkoloniën zoals Stadskanaal, de Pekela's, Wildervank en Veendam. Duifke was een leuk mens die in een gesprek voortdurend zei 'is 't wier of net' en dan voor bijval vragend om zich heen keek.

Buweklooster
De gemeente Achtkarspelen kende twee kloosters, het Gerkes- en het Buweklooster. De kloosters brachten de vervening op gang en zo werd een aantal nieuwe nederzettingen gecreëerd. Het Buweklooster is in het jaar 1242 gesticht door Buwe Harkema, een rijke edelman uit Augustinusga. Nadat het klooster was gebouwd, heeft hij met vergunning van 'den Abt van Mariëngaarde', enige nonnen in zijn klooster geplaatst. Het klooster is in 1245 ingewijd en vermoedelijk in de tachtigjarige oorlog verwoest.

Harkema
Zo'n 500 jaar geleden was de streek rond Harkema vrijwel onbewoond en voor het grootste gedeelte ook onbewoonbaar. Hier bevond zich toen een groot hoogveengebied en zulke streken zijn erg moerassig. In het midden van de 17de eeuw kwam de afgraving op grote schaal op gang. De turf werd toen hoofdzakelijk verscheept naar Holland waar in de Gouden Eeuw het economisch hart van de republiek klopte.

Toen het veen in de 19e eeuw bijna geheel was afgegraven liet men de vrijgekomen zandgrond 'voor wild' liggen. Daardoor ontstonden er grote heidevelden. Veel veenarbeiders raakten werkloos. Maar ook landarbeiders, boeren en handwerkslui raakten door gebrek aan werkgelegenheid, misoogsten en ziekten onder vee aan lager wal. Veel van deze verarmde mensen zochten een toevluchtsoord op de heide waar ze in armoedige plaggenhutten, ook wel Spitketen, gingen wonen.

Spitketen
Een spitkeet bestond uit muren van heidespitten met een dak van stro en bestond uit één of twee kamers: een voorkamer voor het gezin en, als dit vee had, een achterkamer voor het vee. Jelle Dam, geboren in 1857 te Harkema, was de jongste uit een gezin van zeven kinderen. Evenals zijn broers groeide hij op in een heidehut, waar hij de armoede van de van de 19de eeuw aan den lijve ervoer. Dankzij de meester van de lagere school, die zag dat Jelle meer in zijn mars had dan er op de heide uit kon komen, kon Jelle studeren en zich aan de armoede onttrekken. In 1912 werd hij belast met een onderzoek naar de woonomstandigheden in de spitketen. Zijn notities geven een goede indruk van het leven in de plaggenhutten:

Grootte der woning? Antw. 3.20 M2.
Grootte van 't gezin? Antw. 9 personen.
[...]
Bedsteden? Antw. 1.20 meter lang en breed (daarop sliepen 9 personen, van beiderlei kunne van één tot 18 jaar, en de ouders).
Drinkwater? Antw. Uit de sloot 'n eind achter de woning.
Privaat? Antw. Niet aanwezig.
[...]
"Toen ik den Burgemeester enkele biljetten van ongeveer dezelfde hoedanigheid had laten zien en hem vroeg, of die invulling zoo goed was, zei hij: '... ja..ja..', en trok even pijnlijk met zijn wenkbrauwen. 'Ja..., die invulling is goed, maar...e...is het daar zóó raar? Geen privaat?.. waar loopen die menschen dan, om...me...' 'O, mijnheer', zei ik, 'doodeenvoudig, ze hebben 'n grootere of kleinere aardhoop achter de woning, en rondom die aardhoop, kunt U de bescheiden zien als bewijs, dat ze nog niet helemaal verhongeren!'